Bijgewerkt 5 september 2017

 

Tijdschrift STREVEN

September 2017

 

EEN BEZONGEN MISSIONARIS

 

Door Herman Simissen

 

De kerstening van de Lage Landen in de laat-Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen is bepaald geen eenvormig en lineair proces geweest. Aanvankelijk was van een georganiseerde missie geen sprake: er werden geen geloofsverkondigers naar deze streken gezonden om door middel van een stelselmatige aanpak de - overigens bepaald niet omvangrijke - lokale bevolking te winnen voor het nieuwe geloof. In plaats daarvan werd vertrouwd op de overtuigingskracht van individuele gelovigen, die door persoonlijke contacten anderen tot het geloof zouden kunnen brengen. Door deze benadering verliep deze eerste fase van de kerstening traag, maar desondanks verspreidde het christendom zich gestaag. Daarbij kwam het nieuwe geloof langs Romeinse wegen noordwaarts, waaruit nog maar eens de buitengewone betekenis blijkt van de wegen, of beter: van het wegenstelsel dat de Romeinen - als afsluitende fase van de verovering van een gebied - overal in hun rijk aanlegden.

Nadat keizer Constantijn de Grote in 313 het christendom erkende, kwam geleidelijk een meer georganiseerd beleid tot stand met betrekking tot de verspreiding van het geloof in het Romeinse Rijk, daarbij de Lage Landen inbegrepen. Dit betekende bijvoorbeeld, dat rond 345 voor het eerst een bisschop werd aangesteld in deze streken: Servatius, bisschop van Tongeren. Servatius verplaatste de bisschopszetel later naar Maastricht, de stad waarvan hij de patroonheilige is. Getuigt het aanstellen van een bisschop weliswaar van de toename van het aantal gelovigen in deze regio, van een georganiseerde missie was nog altijd geen sprake. Dat wil zeggen: er werden nog altijd geen missionarissen uitgestuurd om het geloof actief te verspreiden. In de vijfde eeuw kwam het christendom in de Lage Landen onder druk te staan. Voor de verdediging van hun rijksgrenzen moesten de Romeinen steeds vaker een beroep doen op groepen uit Germaanse volkeren, die zich dan binnen het rijk langs de grens vestigden. Dit leidde ertoe dat de Romeinen geleidelijk aan gezag verloren (- een langdurig proces waarvoor de aanduiding ĹVal van het Romeinse Rijkĺ overigens bepaald ongelukkig is). In samenhang hiermee verzwakte ook de positie van het christendom in deze streken. Daarin kwam weer verandering onder de Frankische koning Clovis (481 -511), die samenwerking zocht met de bisschoppen in zijn gebied, niet in de laatste plaats omdat hij daarin politieke en administratieve voordelen voor zijn zich vormende staat zag. Clovis en zijn opvolgers verleenden zo steun aan de kerstening van hun gebied, en dan met name aan de organisatorische opbouw van de kerk. Een tweede verandering in deze tijd was, dat de kerk de voorliefde voor steden die van oudsher bestond geleidelijk losliet. Het geloof werd door rondtrekkende missionarissen nu ook, en zelfs vooral, op het platteland gepredikt. Als uitvloeisel hiervan kregen ook kleinere nederzettingen een eigen kapel of kerk, met een vaste Ĺeigenĺ priester. De eerste eeuwen was de kerstening zo een proces, dat grofweg van Zuid naar Noord en langzaam verliep, en zich kenmerkte door terugval en herstel.

Rond 700 kreeg de kerstening van de Lage Landen een nieuwe impuls - niet van Zuid naar Noord, maar van West naar Oost. Vanuit Ierland en Engeland kwamen missionarissen naar deze streken, met het uitdrukkelijke doel de plaatselijke bevolking tot het geloof te brengen. Dit ideaal wordt aangeduid als de peregrinatio per Christum, de Ĺzwerftocht voor Christusĺ: het ondernemen van een reis naar en door onbekend land om daar de plaatselijke bevolking te bekeren door verkondiging, alsook door het eigen voorbeeld. Onverbrekelijk verbonden met deze Angelsaksische missie in de Lage Landen is de naam van Willibrord (658 ľ 739), die rond 690 met een groep metgezellen vanuit Ripon in Engeland naar het vasteland kwam, met aanvankelijk de streek rond Antwerpen en vanaf 695 Utrecht als uitvalsbasis en - na een schenking in 698 - met een klooster in het Luxemburgse Echternach als steunpunt in het Zuiden. Vanuit deze plaatsen reisde Willibrord door de Lage Landen, om in dit missiegebied de bevolking te bekeren. In dezelfde periode en gedreven door hetzelfde ideaal was onder de Friezen en Saksen Bonifatius (672 - 754) werkzaam, net als Willibrord afkomstig van de Britse eilanden. Bonifatius richtte zich met name ook op de versterking van de kerkelijke organisatie, onder meer door het stroomlijnen van de contacten met de paus in Rome. Hij vond in een gevecht bij Dokkum de dood, op missie onder de Friezen.

Gelden Willibrord en Bonifatius als de grote namen van de kerstening van de Lage Landen in deze tijd, in hun spoor waren heel wat anderen actief - met dezelfde afkomst, gedreven door hetzelfde ideaal van peregrinatio per Christum - die minder algemeen bekend zijn geworden. Vaak is hun bekendheid beperkt gebleven tot de regio waar zij volgens de overlevering hoofdzakelijk actief zijn geweest. Een voorbeeld is Willehad (circa 745-789), die in 766 de oversteek van de Britse eilanden maakte, om onder de Friezen en de Saksen het bekeringswerk van Bonifatius voort te zetten, in het Westen van Duitsland en in Nederland (in wat nu Groningen, Drenthe en Overijssel is). Nadat hij bijna het slachtoffer was geworden van de opstandige Friezen, trok hij zich enige tijd terug in Utrecht. Maar later hernam hij zijn missie, zulks in opdracht van Karel de Grote die vlak daarvoor de opstandige Saksen onder Widukind had verslagen en onderworpen. Willehad was toen vooral actief in het Westen van wat nu Duitsland is. In 787 werd hij bisschop van Bremen, de stad waarvan hij de patroonheilige is. In 789 zegende hij de eerste dom van Bremen in, een week voordat hij plotseling overleed aan hoge koorts.

Een tweede voorbeeld is Lebu´nus (of, in het Angelsaksisch, Liafwin), die in 768 vanuit Engeland via Utrecht naar de IJsselstreek kwam, en zich wijdde aan de bekering van de bevolking in dit gebied. Over deze Lebu´nus verscheen onlangs - met het oog op de herdenking daarvan, dat het 1250 jaar geleden is dat hij naar deze regio kwam - de uitgave Lebuinus herontdekt. Een bezongen heilige van Stan Hollaardt en Gerard Pieters. Deze uitgave bestaat uit een drieluik: een eerste deel waarin leven en werk van deze missionaris worden beschreven; een tweede waarin aspecten worden geschetst van de verering die hij na zijn dood genoot, met name in liturgische gezangen; en een derde deel met daarin de Metten van Lebuinus, Gregoriaanse gezangen uit een twaalfde-eeuws handschrift, opgedragen aan de nagedachtenis van de missionaris. Bijgevoegd is een cd, waarop een uitvoering is te horen van deze metten door de langzamerhand vermaarde Nijmeegse schola cantorum Karolus Magnus, onder leiding van Stan Hollaardt.

In het eerste deel van het bijzonder mooi uitgegeven boek wijzen de auteurs erop, dat over het leven van Lebu´nus heel weinig bekend is. Over zijn afkomst, en zijn leven voorafgaand aan zijn komst naar de IJsselstreek is zo goed als niets bekend, zelfs zljn geboortejaar niet. Maar ook over zijn werkzaamheden als missionaris zijn de gegevens bepaald schaars. Bekend is dat hij zijn eerste kerk als missionaris bouwde in het huidige Wilp, op de westelijke oever van de IJssel. Vervolgens bouwde hij, ongeveer vijf kilometer verder, een kerk in Deventer, op de oostelijke oever van deze rivier. Deze kerk in Deventer werd kort na de bouw verwoest door opstandige Saksen, die de christenen verjoegen. Lebu´nus vluchtte daarbij naar Utrecht. Maar hij keerde al snel terug op zijn missiepost, om zijn werk voort te zetten. Hij herbouwde de kerk, die de uitvalsbasis werd van waaruit hij de bekering van de omstreken ondernam. Lebu´nus overleed in 773, slechts vijf jaar na zijn oversteek uit Engeland. Maar zijn naam is onverbrekelijk met Deventer verbonden gebleven: hij is de patroonheilige van de stad, en de Grote Kerk van Deventer draagt zijn naam - zoals ook Wilp nog een Lebu´nuskerk kent. Hieruit blijkt, dat de herinnering aan hem in deze regio levend werd gehouden.

In het tweede deel van de uitgave wordt ingegaan op de vraag, hoe de herinnering aan Lebu´nus bleef voortleven. Duidelijk is, dat Lebu´nus na zijn dood werd vereerd: er ontstond een Lebu´nus-devotie. met name in Deventer, de plaats immers die het centrum van zijn activiteiten was geweest, de plaats ook waar hij was begraven. Aanvankelijk was het kerkje dat Lebu´nus zelf had laten bouwen het middelpunt van deze devotie, later de nieuwe romaanse basiliek die in Deventer werd gebouwd, waarnaar het gebeente van de missionaris werd overgebracht. De verering van Lebu´nus nam verschillende vormen aan. Zo ontstonden er bedevaarten; en zowel op de sterfdag van Lebu´nus, 12 november, als op de dag dat zijn gebeente naar de nieuwe basiliek was overgebracht, 25 juni, waren er processies ter herdenking van de missionaris. Over de intensiteit van de verering valt verder niet heel veel met zekerheid te zeggen, al zal het een proces van bloei en verval zijn geweest waarop in de loop van de tijd allerlei factoren - van de Reformatie tot de Franse Revolutie tot de hedendaagse secularisatie - van invloed zijn geweest. Ook is duidelijk dat de verering inmiddels heeft plaatsgemaakt voor een cultuurhistorische belangstelling voor de figuur van Lebu´nus. Het valt overigens geenszins uit te sluiten, zo wordt opgemerkt, dat de verering van Lebu´nus in hoge mate tot Deventer en zrjn onmiddellijke omgeving beperkt is gebleven.

Hoe dit ook zij, er is een zogeheten sequentie overgeleverd voor het feest van Lebu´nus - een bijzondere lofzang, die alleen bij hoge feestdagen wordt gezongen. Vermoedelijk is deze geschreven rond 1040, bij gelegenheid van de overbrenging van diens gebeente naar de nieuwe basiliek. Het genre van de lofzang was overigens in deze periode een tijdlang bijzonder populair, juist ook omdat dergelijke sequenties veelal betrekking hadden op plaatselijk bekende heiligen. Uit deze sequentie zijn de metten - van oudsher de gezangen die in de nacht of vroege ochtend worden gezongen - afkomstig die centraal staan in het derde deel van Lebulnus herontdekt. Wie deze metten heeft gecomponeerd is niet bekend; evenmin is bekend wie de tekst ervan heeft geschreven. Wel is duidelijk dat voor de tekst gebruik is gemaakt van een preek die Radboud (circa 850-907), in Deventer een van de opvolgers van Lebu´nus en later bisschop van Utrecht, aan zijn vereerde voorganger had gewijd. Op grond van verschillende handschriften is voor deze uitgave een reconstructie van de metten van Lebuinus gemaakt. In het derde deel van het boek is de tekst ervan integraal opgenomen, met een Nederlandse vertaling. Met dit boek wordt Lebu´nus opnieuw onder de aandacht gebracht - een passend gebaar in het licht daarvan dat hij 1250 jaar geleden naar de IJsselstreek kwam. En dat de metten te zijner ere na ongeveer 1000 jaar weer tot klinken zijn gebracht is wel heel bijzonder!

Dit alles maakt deze uitgave meer dan waardevol voor iedereen met belangstelling voor de geschiedenis van het christendom in de Lage Landen, voor de lokale geschiedenis van Deventer en omgeving, of voor Gregoriaanse zang.

 

Stan Hollaardt en Gerard Pieters. Lebuinus herontdekt. Een bezongen heilige, Wolters-Kluwer, Deventer, 2016, hardback, 105 blz., ge´llustreerd, ISBN 9789013139754, Ç 14,95, inclusief cd.

 

Tijdschrift voor gregoriaans, jaargang 42 nummer 1, maart 2017

 

Lebu´nus herontdekt: cultuurhistorische verhandeling met Cd.

Wolters Kluwer. Deventer 2016.

 

Recensie door Gerrit van Osch

 

De redactie ontving een uitnodiging voor de presentatie van de cd Metten van Sint Lebu´nus Ún een begeleidend boek Lebu´nus herontdekt. Een bezongen heilige, in de Broederenkerk op 12 november j.l. Ondergetekende was verhinderd en kreeg het eervolle verzoek om deze beide publicaties te recenseren. Allereerst het boek, geschreven door Stan Hollaardt, in onze kringen bekend als de dirigent van Schola Cantorum Karolus Magnus te Nijmegen, en Gerard Pieters, schola-lid en historicus. Wat meteen opvalt, is de luxe vormgeving van het overigens juist heel bescheiden boekwerk. Het is ook heel laagdrempelig geschreven: wie aan de hand van een concrete heilige als voorbeeld wil weten hoe men vroeger de liturgisch-muzikale gedachtenis vormgaf en dan in het bijzonder in de vorm van getijden en dan nog eens toegespitst op de metten, dan is dit een aanrader. Hoe een levensbeschrijving (een zogenaamde Vita) gebruikmaakt van modellen, en een geschiedkundige, Gerard Pieters dus, daardoor de franje kan losscheuren van de persoonseigen historische feiten, wordt prachtig ge´llustreerd bij deze Lebu´nus.

Over diens leven zijn naast meerdere door de auteur vermelde bronnen voor de in de cd gekozen reconstructie vooral de Vita Lebuini antiqua, door een anonymus geschreven rond 850, van belang. Wat overblijft als toch wel als vaststaand beschouwde feiten: hij werd als Liafwin geboren in Engeland, in Ripon (Yorkshire). In 768, toen abt Gregorius leiding gaf aan het (missie-)klooster te Utrecht en ook het missiebisdom bestierde, werd hij samen met zijn assistent en landgenoot Marchelmus (ook wel Marcellinus genoemd) uitgezonden naar de IJsselstreek. Met succes: aan de westoever richtte hij in Huilpa (Wilp) een gebedshuis op en vervolgens ook aan de oostoever te Deventer. Tegenwerking van de Saksen echter dwong hem terug naar Utrecht. Dezelfde Gregorius wist hem weer te bewegen tot herstel van de verwoeste kerk in Deventer. Vanuit deze missiepost missioneerde hij verder in het grensgebied van de Franken en Saksen en zo zou hij zelfs hebben deelgenomen aan een volksvergadering van de Saksen in Marklo aan de Weser. Kort daarna, in 773, overleed hij en werd hij begraven in de even later weer verwoeste kerk in Deventer. De Fries Ludger, de latere eerste bisschop van MŘnster, kreeg de opdracht zijn gebeente veilig te stellen in een nieuw te bouwen kerk: de "kleine Lebu´nus".

Het fraai uitgebrachte boekwerk is een drieluik: links "Lebu´nus de missionaris", rechts "de Metten van Lebu´nus" en in het midden "Lebu´nus in liturgie en koorzang". En dan dus de achterkanten: de cd! Het eerste luik is een geschiedkundige verhandeling over "feit en fictie" (boven in grove lijnen al uitgezeefd), "Missionarissen van overzee" (hier verbreedt de scope zich tot heel Nederland en NW-Europa) en "Utrecht en Deventer" (hoe door de Noormannen de bisschopszetel met kapittel tijdelijk ook in Deventer terecht kwam). Het middenstuk is voor onze lezers wellicht het interessantst: na een eerste paragraaf over "Verering van Lebu´nus" geeft Stan Hollaardt een verslag van zijn "Reconstructie van de Metten van Lebu´nus". De context is al geschetst, het kapittel van Deventer en Utrecht: een klerikale kring van beoefenaars van verschillende artes, die, gebruikmakend van bestaande biografische bronnen en tredend in de (Frankische) tradities van die tijd het corpus aan teksten en gezangen samenstelde.

Door de politiek onrustige tijden vonden er meerdere translaties van de overblijfselen van Lebu´nus (en Marcellinus en Radboud) plaats; de belangrijkste hiervan, naar de nieuwe romaanse basiliek in Deventer die bisschop Bernold liet bouwen in het tweede kwart van de 11de eeuw, werd jaarlijks herdacht op de 25ste juni. Er werd dan ook een processie met de relieken gehouden over het kerkhof. Ook op de sterfdatum, de 12de november, vonden deze plechtigheden plaats, als een groot (duplex) feest. Nˇg grootser werd de kerkwijding gevierd, ook weer met processie, dit keer zelfs door heel de stad. De opkomst van de reformatie betekende het einde van deze vieringen. Waarschijnlijk zijn de vieringen altijd beperkt gebleven tot de plaats Deventer, want zelfs in het archief van deze stad, waarin meerdere getijdenboeken van rond 1500 aanwezig zijn, wordt niets vermeld over een Lebu´nus-liturgie: een gevolg van de reformatie of al eerder in vergetelheid geraakt? WÚl zijn er teksten, geen gezangen dus, te vinden in een brevier van de uit Deventer afkomstige apostolisch vicaris Bovenius, Officia sanctorum (1623). Raadpleging van de meest uitgebreide database hieromtrent, Cantus Database, zette de auteurs op het spoor van het Utrechtse hs 406 uit de 12de eeuw (27 antifonen en responsories) en hs 413, een Utrechts graduale van de 15de eeuw (de sequentie Lebuine confessorum). De auteurs verwijzen bovendien naar de artikelen over de oudste heiligenofficies in ons land van wijlen Ike de Loos in dit tijdschrift (2000-2, pag. 59-70; 2000-4, pag. 150 - 160). De reconstructie van de Metten baseert zich vooral op genoemd hs 406 Ún op het Antifonarium van Zoeterwoude, hs 184 uit 1480. Een afbeelding van een pagina van hs 406 laat een diastematisch handschrift zien met notatietekens die lijken op de adiastematische neumen van de vroege Sankt-Gallen hss; er komen ook speciale lettertekens voor en uitzonderlijk zijn heel dunne haarlijntjes naar neumen rond halve toonafstanden: de auteur vraagt zich af of het aanwijzingen zijn voor microtonale intervallen. Naast "Duitse" neumen komen er ook "Franse" voor, reden voor Ike de Loos, zo wordt zij geciteerd, te opperen in haar dissertatie dat dit hs veeleer een contactvorm is van beide tradities.

De Lebu´nus-Metten vieren diens translatie, wellicht die naar de nieuwe grote kerk ten tijde van bisschop Bernold, omstreeks 1040. Waarschijnlijk hebben de kanunniken van de Utrechtse Sinte-Marie het Lebu´nus-officie nog lang gezongen, zodat het later voorkwam in het verzamel-antifonale van deze kapittelkerk. Over de herkomst van de teksten wordt vooral gewezen naar de musicus, schrijver en bisschop Radboud: hele passages uit zijn preek "Homilia S. Radbodi de Sancto Lebwino" vinden we terug in de eerste twee antifonen en responsories. Heel de queeste naar de verering van Lebu´nus leidt uiteindelijk naar een reconstructie die, tevens leunend op de traditie van het zogenaamd "rijmofficie", resulteert in woord en toon van deze cd. Om praktische redenen beperkt die zich tot ÚÚn nocturne. Er wordt zoveel mogelijk geput uit hs 406, zo nodig aangevuld met gezangen uit hetzelfde hs 406 (onderdelen die niet direct betrekking hebben op Lebu´nus) en/of met het gebruikelijke metten-officie; de lezingen zijn genomen uit de Vita Antiqua (Hofmeister, 1934). Door dit alles laat de cd zich beluisteren als een historia, een rijmofficie gebaseerd op een vita. Op de cd, zowel afzonderlijk als in combinatie met het boek verkrijgbaar, wordt dus ÚÚn volledige nocturne gezongen, bestaande uit invitatorium; hymne; drie psalmen met telkens een antifoon; drie lezingen, telkens gevolgd door een responsorie en met in- en uitleidende recitatieven en acclamaties; oratio en afsluiting: Te Deum.

De eerste klanken na het openingsgebed, van het Invitatorium dus, imponeren meteen al in die mooie, door quilisma's en andere siernoten breed uitgezongen tonen; ze zijn al een voorproefje van de nog komende responsoria prolixa. Toevallig hoorde ik dit gezang ook afgelopen zondagmorgen (15/01) in het radioprogramma "Tussen hemel en aarde". De psalmodie van de vaste, bij alle invitatoria horende psalm 94(95) is overgenomen uit het officie van de heilige Martinus uit hetzelfde hs 406, beide van de vierde modus.

Conform de Metten van Martinus volgt nu de hymne Iste Confessor uit de Tweede Vespers van Lebu´nus, uit het commune voor belijders niet-bisschop (zie LU pag. 1196). Het wordt twee-korig gezongen, in een vrij zwaar, maar zeer zorgvuldig uitgevoerd vrij ritme. En heel dynamisch - wonderlijk hoe deze schola er steeds in slaagt op een heel eigen manier dynamiek te scheppen - volgt meteen de eerste antifoon, die ons verplaatst naar Lebu´nus' jeugd: met durf gebracht, met die mooie overgang naar het ijlere incipit van de psalm. De drie psalmen zijn weer genomen uit de getijden van Martinus. De stroming in het psalmodiŰren zit 'm vooral binnen elk halfvers, minder in het per psalm toezingen door de ene koorhelft naar de andere. Er wordt zeer verzorgd gepsalmodieerd; kom daar maar eens mee tegenwoordig! Verrassend is weer hoe de doxologie soms, zoals bij de Openingsrite, wel hÚÚl uitdrukkelijk en plechtig, en op andere momenten juist voortvarend wordt uitgevoerd, zoals bij de psalmen, waar het eerste deel zonder mediatio, in ÚÚn adem gezongen wordt: er wordt blijkbaar veel aandacht gegeven aan de tekst en ook nog eens gedifferentieerd per soort gezang.

Wat in de begeleidende tekst vervolgens wordt aangeduid als responsorium breve is wat als versiculum bekend is, een verondersteld relict van de oude psalmodia directa. We horen een melodie die licht afwijkt van wat we gewend zijn. Na enige recitatieven horen we de drie lecties, telkens gevolgd door een responsorium prolixum: kernstuk van de metten en zeker bij deze versie. Als gedachtenis is het tevens een duik in de lokale geschiedenis. In de tweede lezing treffen we de vermelding aan van Wilp en Deventer: in loco nuncupato Wilpe, ad Deventre portum. Dan vallen ook enige tekstuele overeenkomsten op tussen de antifonen en de lezingen en de responsories: zoals eerder vermeld, wordt er hier aangaande een link gelegd met een preek van Radboud. Wat moet het een lokaal zeer treffend event geweest zijn in de kerk van Wilp in november 2015 en een jaar later in de Broederenkerk te Deventer! Weer word je juist bij de responsories getroffen door de mooie, viriele koorklank, prachtig uitwaaierend in de melisma's, in afwisseling met de strakker gezongen (solo-)verzen, met telkens eerst een a latere en vervolgens het hele corpus nog eens in de herhaling. Alle drie zijn ze vervoerend, met extra sier en zwier op de kernwoorden (religionis, Resp.-I; simplicitatem en celestis, Resp.-II; presidium, tevens eindcadens van Resp._III). Overigens is presidium ook te beleven als afsluitend kernthema van de hele ritus! Hier valt ook op dat het hooggestemde solovers (anders dan boven gemeld bij de psalmodie) juist wel wordt toegezongen naar het a latere van het koor. Bij alle responsoria is de tekstuele aansluiting tussen vers en a latere trouwens heel poŰtisch en treffend. Ike de Loos vindt (TvG 2000-2, pag.65): ôDe muzikale kwaliteit van het Lebu´nus-officie is wisselend en minder hoog dan die van het Willibrordus-officie. De responsories hebben, evenals in het Willibrordus-officie, grote melismes; deze zijn echter minder uitgewogen".

De oraties worden heel plechtig en oratorisch gezongen; het geheel staat er ineens door in gebedshouding. Alle recitatieven roepen aandacht op, drukken devotie uit of zijn juist verhalend. Natuurlijk zijn de responsoria de bloemen in het veld; maar het grazige landschap wordt mede bepaald juist door die melodisch bescheidener recitatieven. Als je de lector om zegen hoort vragen, zie je hem als het ware deemoedig buigen: dan weet je dat je te maken hebt met liturgische muziek. Na de slotritus, met een zeer melismatisch Benedicamus (LU, pag. 124) wordt het Te Deum gezongen, tonus recentior (LH pag. 530; of LU pag. lg34: tonus simplex). Ik hoor opvallend lange slotpuncti en tekstaccenten en weer vraag je je af: waar haalt de directie de influistering Ó la duif van Gregorius vandaan? Want wÚÚr lukt het om een sfeer van aanbidding en lof te creŰren; ook al lijkt de schola tegen de stroom in te roeien, je voelt die stroming wel degelijk!

Wat na lezing van het boek(je) en beluistering van de gezangen vooral blijft natrillen is een gevoel van oprechte bewondering en dankbaarheid dat er nog mensen zijn die de kunst verstaan het verleden te laten ôopstaanö, ja,, te laten verrijzen: zo wordt telkens alles nieuw, al ligt het nog zo ver achter (of vˇˇr) ons.

 

Gregoriusblad nummer 1 - 2017

Bespreking door Anton Vernooij

 

METTEN VAN SINT-LEBUINUS

Schola Cantorum Karolus Magnus Nijmegen o.l.v. Stan Hollaardt.

 

De komende herdenking van het 1250-jarig bestaan van de stad Deventer is voor het Nijmeegse gregoriaanse koor Karolus Magnus aanleiding geworden opnieuw het Officium Lectionis voor het liturgische feest van de Deventer stadspatroon Sint Lebuinus (ć 773, jaarlijkse herdenking op 12 november) in het sonore daglicht te plaatsen. Uitgangspunt was een 12e-eeuws handschrift uit de voormalige Utrechtse Mariakerk. Plaats van opname van de door Stan Hollaardt samengestelde ene nocturn is het akoestisch zeer geschikte kerkje van Wilp, een dorp in het IJsseldal, waar Lebuinus in de achtste eeuw zijn missiearbeid begon. Het goed verzorgde booklet bevat naast de teksten van de gezangen een heldere beschrijving van de figuur van Lebuinus door Gerard Pieters en een door Stan Hollaardt zeer toegankelijk geschreven historische inleiding plus een verklaring van het liturgische genre van de Ĺmettenĺ.  

De uitvoering van de gezangen is zoals we deze van Karolus Magnus gewend zijn: helder en duidelijk, niet overdreven concertant, eerder oprecht biddend en verstild, kortom, zoals het gregoriaans ook vandaag zou mogen klinken tijdens de liturgie. Hebben we er al kennis mee gemaakt bij zijn vroegere Cd's met gedeeltes uit het Ĺvieux fondsĺ, ook bij deze presentatie van stukken uit het laat-gregoriaanse repertoire heeft het koor weliswaar de theorie omtrent de authentieke uitvoering van zulke gezangen terdege in acht genomen, maar deze op de tweede plaats laten komen, achter een acceptabele praktische presentatie. Mede daarom is het ook een mooie luister-cd,  vooral voor hen die empathie voelen met liturgische zang, waarvan de taal primair die van de melodie is. Misschien is daarom de uitvoering ietwat aan de kalme kant gebleven en ontbreekt aan de tekstdeclamatie soms expressiviteit. Zo werd er blijkbaar voor gekozen om aan het einde van een melodische of tekstuele zin de inderdaad vaak zo lastige slotletter s van een woord niet uit te spreken.   

Kosten Ç 8, exclusief verzendkosten. Bestellen via www.karolus-magnus.nl

 

*  Samen met de CD Metten van Sint-Lebuinus verscheen bij Wolters Kluwer in Deventer:

 S. HOLLAARDT ľ GERARD PIETERS: LEBUINUS HERONTDEKT ľ Een bezongen heilige.  

Uitgave Wolters Kluwer ľ Deventer 2016.

Dit fraai verzorgde en ge´llustreerde boek (105 paginaĺs) bevat naast een beschrijving van het leven van Sint Lebuinus en zijn verering een reconstructie van de metten, een glossarium, de teksten van de gezangen op de CD en bovendien achterin ook de CD zelf. In de beschrijving van het 12e-eeuwse handschrift had de analyse van de melodieŰn wat mij betreft Ĺietsje meerĺ mogen zijn. Een deel van de tekst is gelijk aan die van het booklet bij de CD.

Kosten Ç 14,95, exclusief verzendkosten. Eveneens te bestellen via www.karolus-magnus.nl

 

                                                                                                                                                 Anton Vernooij

 

Interview met Stan Hollaardt in De Dukenburger van februari 2017

Uit Wijkkrant De Dukenburger

Nieuw boek met cd van  Stan Hollaardt  

 

Stan Hollaardt is al zeer veel jaren dirigent van het Gregoriaans zangkoor van de Ontmoetingskerk en daardoor een welbekende persoonlijkheid in Dukenburg.

 

Onlangs publiceerde hij een boek met een cd waarmee hij bewees dat hij niet alleen een voortreffelijk koordirigent is, maar tevens rnuziekwetenschapper. Deze cd en het boekje gaan over het leven van Lebu´nus en de muziek die te zijner ere werd geschreven. Sint-Lebu´nus was de eerste bisschop van Deventer. Zijn graf vindt men in de Lebu´nuskerk in die plaats. Hij leefde in de zevende eeuw en heeft veel voor de kerstening van het IJsselgebied betekend. Op zijn kerkelijke feestdag werd hij al in de vroege middeleeuwen (rond 1100) met koormuziek herdacht, die ter zijner eer was gecomponeerd.

Het is de verdienste van Stan dat hij een aantal van deze oude muziekcomposities over Lebu´nus heeft weten op te duiken in heel oude stoffige handschriften die uit de vroege middeleeuwen stammen. Daarbij heeft hij het primitieve vroegmiddeleeuwse notenschrift weten om te zetten tot partituren in meer modern notenschrift. Bovendien heeft Stan veel tijd gestoken in het zangklaar maken van alle gezangen (noten, ritmiek en teksten). De zangers hebben onder zijn leiding vele uren besteed aan het instuderen van deze vroege muziek. Het zijn pittige stukken. Vanwege hun unieke compositie en muzikale schoonheid zijn ze meer dan de moeite waard. Dit wordt duidelijk wanneer men de cd beluistert, waarbij deze muziek door het Schola Cantorum Karolus Magnus koor onder zijn Ieiding ten uitvoer wordt gebracht, Voor meer informatie: www. karolus-magnus.nl.

 

Tekst Janwillem Koten

 

 

TERUG naar NIEUWS

TERUG naar LEBUINUS METTEN