Bijgewerkt 17 maart 2017

 

Tijdschrift voor gregoriaans, jaargang 41 nummer 4, 2016

 

Lebu´nus herontdekt: cultuurhistorische verhandeling met Cd.

Wolters Kluwer. Deventer 2016.

 

Recensie door Gerrit van Osch

 

De redactie ontving een uitnodiging voor de presentatie van de cd Metten van Sint Lebu´nus Ún een begeleidend boek Lebu´nus herontdekt. Een bezongen heilige, in de Broederenkerk op 12 november j.l. Ondergetekende was verhinderd en kreeg het eervolle verzoek om deze beide publicaties te recenseren. Allereerst het boek, geschreven door Stan Hollaardt, in onze kringen bekend als de dirigent van Schola Cantorum Karolus Magnus te Nijmegen, en Gerard Pieters, schola-lid en historicus. Wat meteen opvalt, is de luxe vormgeving van het overigens juist heel bescheiden boekwerk. Het is ook heel laagdrempelig geschreven: wie aan de hand van een concrete heilige als voorbeeld wil weten hoe men vroeger de liturgisch-muzikale gedachtenis vormgaf en dan in het bijzonder in de vorm van getijden en dan nog eens toegespitst op de metten, dan is dit een aanrader. Hoe een levensbeschrijving (een zogenaamde Vita) gebruikmaakt van modellen, en een geschiedkundige, Gerard Pieters dus, daardoor de franje kan losscheuren van de persoonseigen historische feiten, wordt prachtig ge´llustreerd bij deze Lebu´nus.

Over diens leven zijn naast meerdere door de auteur vermelde bronnen voor de in de cd gekozen reconstructie vooral de Vita Lebuini antiqua, door een anonymus geschreven rond 850, van belang. Wat overblijft als toch wel als vaststaand beschouwde feiten: hij werd als Liafwin geboren in Engeland, in Ripon (Yorkshire). In 768, toen abt Gregorius leiding gaf aan het (missie-)klooster te Utrecht en ook het missiebisdom bestierde, werd hij samen met zijn assistent en landgenoot Marchelmus (ook wel Marcellinus genoemd) uitgezonden naar de IJsselstreek. Met succes: aan de westoever richtte hij in Huilpa (Wilp) een gebedshuis op en vervolgens ook aan de oostoever te Deventer. Tegenwerking van de Saksen echter dwong hem terug naar Utrecht. Dezelfde Gregorius wist hem weer te bewegen tot herstel van de verwoeste kerk in Deventer. Vanuit deze missiepost missioneerde hij verder in het grensgebied van de Franken en Saksen en zo zou hij zelfs hebben deelgenomen aan een volksvergadering van de Saksen in Marklo aan de Weser. Kort daarna, in 773, overleed hij en werd hij begraven in de even later weer verwoeste kerk in Deventer. De Fries Ludger, de latere eerste bisschop van MŘnster, kreeg de opdracht zijn gebeente veilig te stellen in een nieuw te bouwen kerk: de "kleine Lebu´nus".

Het fraai uitgebrachte boekwerk is een drieluik: links "Lebu´nus de missionaris", rechts "de Metten van Lebu´nus" en in het midden "Lebu´nus in liturgie en koorzang". En dan dus de achterkanten: de cd! Het eerste luik is een geschiedkundige verhandeling over "feit en fictie" (boven in grove lijnen al uitgezeefd), "Missionarissen van overzee" (hier verbreedt de scope zich tot heel Nederland en NW-Europa) en "Utrecht en Deventer" (hoe door de Noormannen de bisschopszetel met kapittel tijdelijk ook in Deventer terecht kwam).

Het middenstuk is voor onze lezers wellicht het interessantst: na een eerste paragraaf over "Verering van Lebu´nus" geeft Stan Hollaardt een verslag van zijn "Reconstructie van de Metten van Lebu´nus". De context is al geschetst, het kapittel van Deventer en Utrecht: een klerikale kring van beoefenaars van verschillende artes, die, gebruikmakend van bestaande biografische bronnen en tredend in de (Frankische) tradities van die tijd het corpus aan teksten en gezangen samenstelde.

Door de politiek onrustige tijden vonden er meerdere translaties van de overblijfselen van Lebu´nus (en Marcellinus en Radboud) plaats; de belangrijkste hiervan, naar de nieuwe romaanse basiliek in Deventer die bisschop Bernold liet bouwen in het tweede kwart van de 11de eeuw, werd jaarlijks herdacht op de 25ste juni. Er werd dan ook een processie met de relieken gehouden over het kerkhof. Ook op de sterfdatum, de 12de november, vonden deze plechtigheden plaats, als een groot (duplex) feest. Nˇg grootser werd de kerkwijding gevierd, ook weer met processie, dit keer zelfs door heel de stad. De opkomst van de reformatie betekende het einde van deze vieringen. Waarschijnlijk zijn de vieringen altijd beperkt gebleven tot de plaats Deventer, want zelfs in het archief van deze stad, waarin meerdere getijdenboeken van rond 1500 aanwezig zijn, wordt niets vermeld over een Lebu´nus-liturgie: een gevolg van de reformatie of al eerder in vergetelheid geraakt? WÚl zijn er teksten, geen gezangen dus, te vinden in een brevier van de uit Deventer afkomstige apostolisch vicaris Bovenius, Officia sanctorum (1623). Raadpleging van de meest uitgebreide database hieromtrent, Cantus Database, zette de auteurs op het spoor van het Utrechtse handschrift (hs) 406 uit de 12de eeuw (27 antifonen en responsories) en hs 413, een Utrechts graduale van de 15de eeuw (de sequentie Lebuine confessorum). De auteurs verwijzen bovendien naar de artikelen over de oudste heiligenofficies in ons land van wijlen Ike de Loos in dit tijdschrift (2000-2, pag. 59-70; 2000-4, pag. 150 - 160).

De reconstructie van de Metten baseert zich vooral op genoemd hs 406 Ún op het Antifonarium van Zoeterwoude, hs 184 uit 1480. Een afbeelding van een pagina van hs 406 laat een diastematisch handschrift zien met notatietekens die lijken op de adiastematische neumen van de vroege Sankt-Gallen hss; er komen ook speciale lettertekens voor en uitzonderlijk zijn heel dunne haarlijntjes naar neumen rond halve toonafstanden: de auteur vraagt zich af of het aanwijzingen zijn voor microtonale intervallen. Naast "Duitse" neumen komen er ook "Franse" voor, reden voor Ike de Loos, zo wordt zij geciteerd, te opperen in haar dissertatie dat dit hs veeleer een contactvorm is van beide tradities.

De Lebu´nus-Metten vieren diens translatie, wellicht die naar de nieuwe grote kerk ten tijde van bisschop Bernold, omstreeks 1040. Waarschijnlijk hebben de kanunniken van de Utrechtse Sinte-Marie het Lebu´nus-officie nog lang gezongen, zodat het later voorkwam in het verzamel-antifonale van deze kapittelkerk.

Over de herkomst van de teksten wordt vooral gewezen naar de musicus, schrijver en bisschop Radboud: hele passages uit zijn preek "Homilia S. Radbodi de Sancto Lebwino" vinden we terug in de eerste twee antifonen en responsories. Heel de queeste naar de verering van Lebu´nus leidt uiteindelijk naar een reconstructie die, tevens leunend op de traditie van het zogenaamd "rijmofficie", resulteert in woord en toon van deze cd.

Om praktische redenen beperkt die zich tot ÚÚn nocturne. Er wordt zoveel mogelijk geput uit hs 406, zo nodig aangevuld met gezangen uit hetzelfde hs 406 (onderdelen die niet direct betrekking hebben op Lebu´nus) en/of met het gebruikelijke metten-officie; de lezingen zijn genomen uit de Vita Antiqua (Hofmeister, 1934). Door dit alles laat de cd zich beluisteren als een historia, een rijmofficie gebaseerd op een vita. Op de cd, zowel afzonderlijk als in combinatie met het boek verkrijgbaar, wordt dus ÚÚn volledige nocturne gezongen, bestaande uit invitatorium; hymne; drie psalmen met telkens een antifoon; drie lezingen, telkens gevolgd door een responsorie en met in- en uitleidende recitatieven en acclamaties; oratio en afsluiting: Te Deum.

De eerste klanken na het openingsgebed, van het Invitatorium dus, imponeren meteen al in die mooie, door quilisma's en andere siernoten breed uitgezongen tonen; ze zijn al een voorproefje van de nog komende responsoria prolixa.

Toevallig hoorde ik dit gezang ook afgelopen zondagmorgen (15/01) in het radioprogramma "Tussen hemel en aarde". De psalmodie van de vaste, bij alle invitatoria horende psalm 94(95) is overgenomen uit het officie van de heilige Martinus uit hetzelfde hs 406, beide van de vierde modus.

Conform de Metten van Martinus volgt nu de hymne Iste Confessor uit de Tweede Vespers van Lebu´nus, uit het commune voor belijders niet-bisschop (zie LU pag. 1196). Het wordt twee-korig gezongen, in een vrij zwaar, maar zeer zorgvuldig uitgevoerd vrij ritme.

En heel dynamisch - wonderlijk hoe deze schola er steeds in slaagt op een heel eigen manier dynamiek te scheppen - volgt meteen de eerste antifoon, die ons verplaatst naar Lebu´nus' jeugd: met durf gebracht, met die mooie overgang naar het ijlere incipit van de psalm. De drie psalmen zijn weer genomen uit de getijden van Martinus. De stroming in het psalmodiŰren zit 'm vooral binnen elk halfvers, minder in het per psalm toezingen door de ene koorhelft naar de andere. Er wordt zeer verzorgd gepsalmodieerd; kom daar maar eens mee tegenwoordig! Verrassend is weer hoe de doxologie soms, zoals bij de Openingsrite, wel hÚÚl uitdrukkelijk en plechtig, en op andere momenten juist voortvarend wordt uitgevoerd, zoals bij de psalmen, waar het eerste deel zonder mediatio, in ÚÚn adem gezongen wordt: er wordt blijkbaar veel aandacht gegeven aan de tekst en ook nog eens gedifferentieerd per soort gezang.

Wat in de begeleidende tekst vervolgens wordt aangeduid als responsorium breve is wat als versiculum bekend is, een verondersteld relict van de oude psalmodia directa. We horen een melodie die licht afwijkt van wat we gewend zijn. Na enige recitatieven horen we de drie lecties, telkens gevolgd door een responsorium prolixum: kernstuk van de metten en zeker bij deze versie. Als gedachtenis is het tevens een duik in de lokale geschiedenis. In de tweede lezing treffen we de vermelding aan van Wilp en Deventer: in loco nuncupato Wilpe, ad Deventre portum. Dan vallen ook enige tekstuele overeenkomsten op tussen de antifonen en de lezingen en de responsories: zoals eerder vermeld, wordt er hier aangaande een link gelegd met een preek van Radboud. Wat moet het een lokaal zeer treffend event geweest zijn in de kerk van Wilp in november 2015 en een jaar later in de Broederenkerk te Deventer! Weer word je juist bij de responsories getroffen door de mooie, viriele koorklank, prachtig uitwaaierend in de melisma's, in afwisseling met de strakker gezongen (solo-)verzen, met telkens eerst een a latere en vervolgens het hele corpus nog eens in de herhaling. Alle drie zijn ze vervoerend, met extra sier en zwier op de kernwoorden (religionis, Resp.-I; simplicitatem en celestis, Resp.-II; presidium, tevens eindcadens van Resp._III). Overigens is presidium ook te beleven als afsluitend kernthema van de hele ritus! Hier valt ook op dat het hooggestemde solovers (anders dan boven gemeld bij de psalmodie) juist wel wordt toegezongen naar het a latere van het koor. Bij alle responsoria is de tekstuele aansluiting tussen vers en a latere trouwens heel poŰtisch en treffend. Ike de Loos vindt (TvG 2000-2, pag.65): ôDe muzikale kwaliteit van het Lebu´nus-officie is wisselend en minder hoog dan die van het Willibrordus-officie. De responsories hebben, evenals in het Willibrordus-officie, grote melismes; deze zijn echter minder uitgewogen".

De oraties worden heel plechtig en oratorisch gezongen; het geheel staat er ineens door in gebedshouding. Alle recitatieven roepen aandacht op, drukken devotie uit of zijn juist verhalend. Natuurlijk zijn de responsoria de bloemen in het veld; maar het grazige landschap wordt mede bepaald juist door die melodisch bescheidener recitatieven. Als je de lector om zegen hoort vragen, zie je hem als het ware deemoedig buigen: dan weet je dat je te maken hebt met liturgische muziek.

Na de slotritus, met een zeer melismatisch Benedicamus (LU, pag. 124) wordt het Te Deum gezongen, tonus recentior (LH pag. 530; of LU pag. lg34: tonus simplex). Ik hoor opvallend lange slotpuncti en tekstaccenten en weer vraag je je af: waar haalt de directie de influistering Ó la duif van Gregorius vandaan? Want wÚÚr lukt het om een sfeer van aanbidding en lof te creŰren; ook al lijkt de schola tegen de stroom in te roeien, je voelt die stroming wel degelijk!

Wat na lezing van het boek(je) en beluistering van de gezangen vooral blijft natrillen is een gevoel van oprechte bewondering en dankbaarheid dat er nog mensen zijn die de kunst verstaan het verleden te laten ôopstaanö, ja,, te laten verrijzen: zo wordt telkens alles nieuw, al ligt het nog zo ver achter (of vˇˇr) ons.

 

Gregoriusblad nummer 1 - 2017

Bespreking door Anton Vernooij

 

METTEN VAN SINT-LEBUINUS

Schola Cantorum Karolus Magnus Nijmegen o.l.v. Stan Hollaardt.

 

De komende herdenking van het 1250-jarig bestaan van de stad Deventer is voor het Nijmeegse gregoriaanse koor Karolus Magnus aanleiding geworden opnieuw het Officium Lectionis voor het liturgische feest van de Deventer stadspatroon Sint Lebuinus (ć 773, jaarlijkse herdenking op 12 november) in het sonore daglicht te plaatsen. Uitgangspunt was een 12e-eeuws handschrift uit de voormalige Utrechtse Mariakerk. Plaats van opname van de door Stan Hollaardt samengestelde ene nocturn is het akoestisch zeer geschikte kerkje van Wilp, een dorp in het IJsseldal, waar Lebuinus in de achtste eeuw zijn missiearbeid begon. Het goed verzorgde booklet bevat naast de teksten van de gezangen een heldere beschrijving van de figuur van Lebuinus door Gerard Pieters en een door Stan Hollaardt zeer toegankelijk geschreven historische inleiding plus een verklaring van het liturgische genre van de Ĺmettenĺ.  

De uitvoering van de gezangen is zoals we deze van Karolus Magnus gewend zijn: helder en duidelijk, niet overdreven concertant, eerder oprecht biddend en verstild, kortom, zoals het gregoriaans ook vandaag zou mogen klinken tijdens de liturgie. Hebben we er al kennis mee gemaakt bij zijn vroegere Cd's met gedeeltes uit het Ĺvieux fondsĺ, ook bij deze presentatie van stukken uit het laat-gregoriaanse repertoire heeft het koor weliswaar de theorie omtrent de authentieke uitvoering van zulke gezangen terdege in acht genomen, maar deze op de tweede plaats laten komen, achter een acceptabele praktische presentatie. Mede daarom is het ook een mooie luister-cd,  vooral voor hen die empathie voelen met liturgische zang, waarvan de taal primair die van de melodie is. Misschien is daarom de uitvoering ietwat aan de kalme kant gebleven en ontbreekt aan de tekstdeclamatie soms expressiviteit. Zo werd er blijkbaar voor gekozen om aan het einde van een melodische of tekstuele zin de inderdaad vaak zo lastige slotletter s van een woord niet uit te spreken.   

Kosten Ç 8, exclusief verzendkosten. Bestellen via www.karolus-magnus.nl

 

*  Samen met de CD Metten van Sint-Lebuinus verscheen bij Wolters Kluwer in Deventer:

 S. HOLLAARDT ľ GERARD PIETERS: LEBUINUS HERONTDEKT ľ Een bezongen heilige.  

Uitgave Wolters Kluwer ľ Deventer 2016.

Dit fraai verzorgde en ge´llustreerde boek (105 paginaĺs) bevat naast een beschrijving van het leven van Sint Lebuinus en zijn verering een reconstructie van de metten, een glossarium, de teksten van de gezangen op de CD en bovendien achterin ook de CD zelf. In de beschrijving van het 12e-eeuwse handschrift had de analyse van de melodieŰn wat mij betreft Ĺietsje meerĺ mogen zijn. Een deel van de tekst is gelijk aan die van het booklet bij de CD.

Kosten Ç 14,95, exclusief verzendkosten. Eveneens te bestellen via www.karolus-magnus.nl

 

                                                                                                                                                 Anton Vernooij

 

Interview met Stan Hollaardt in De Dukenburger van februari 2017

Uit Wijkkrant De Dukenburger

Nieuw boek met cd van  Stan Hollaardt  

 

Stan Hollaardt is al zeer veel jaren dirigent van het Gregoriaans zangkoor van de Ontmoetingskerk en daardoor een welbekende persoonlijkheid in Dukenburg.

 

Onlangs publiceerde hij een boek met een cd waarmee hij bewees dat hij niet alleen een voortreffelijk koordirigent is, maar tevens rnuziekwetenschapper. Deze cd en het boekje gaan over het leven van Lebu´nus en de muziek die te zijner ere werd geschreven. Sint-Lebu´nus was de eerste bisschop van Deventer. Zijn graf vindt men in de Lebu´nuskerk in die plaats. Hij leefde in de zevende eeuw en heeft veel voor de kerstening van het IJsselgebied betekend. Op zijn kerkelijke feestdag werd hij al in de vroege middeleeuwen (rond 1100) met koormuziek herdacht, die ter zijner eer was gecomponeerd.

Het is de verdienste van Stan dat hij een aantal van deze oude muziekcomposities over Lebu´nus heeft weten op te duiken in heel oude stoffige handschriften die uit de vroege middeleeuwen stammen. Daarbij heeft hij het primitieve vroegmiddeleeuwse notenschrift weten om te zetten tot partituren in meer modern notenschrift. Bovendien heeft Stan veel tijd gestoken in het zangklaar maken van alle gezangen (noten, ritmiek en teksten). De zangers hebben onder zijn leiding vele uren besteed aan het instuderen van deze vroege muziek. Het zijn pittige stukken. Vanwege hun unieke compositie en muzikale schoonheid zijn ze meer dan de moeite waard. Dit wordt duidelijk wanneer men de cd beluistert, waarbij deze muziek door het Schola Cantorum Karolus Magnus koor onder zijn Ieiding ten uitvoer wordt gebracht, Voor meer informatie: www. karolus-magnus.nl.

 

Tekst Janwillem Koten

 

 

TERUG naar NIEUWS

TERUG naar LEBUINUS METTEN