Teksten gelezen bij het project The Martyred Virgins

Pro sinceritate corporali et spiritali

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

 een actueel project

 DE GETUIGENISSEN

 

a.  Oude testament: Amnon en Tamar   Lezing uit het Tweede boek Samuël, hoofdstuk 13

 

Absalom, een zoon van David, had een zuster die Tamar heette. Ze was heel mooi. Amnon, de oudste zoon van David, werd verliefd op haar. Hij werd bijna ziek van verlangen naar zijn halfzuster. Nu was Amnon bevriend met zijn neef Jonadab, iemand met veel ervaring.‘Zeg eens, Amnon,’ vroeg hij aan de koningszoon, ‘waarom ben je toch al dagenlang zo neerslachtig?’ Amnon antwoordde: ‘Omdat ik verliefd ben op Tamar.’ Jonadab raadde hem aan: ‘Ga op je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Wanneer je vader dan naar je komt kijken, moet je tegen hem zeggen: “Kon Tamar maar komen om me te eten te geven. Als zij hier iets versterkends klaarmaakt zodat ik het met eigen ogen kan zien, dan zal ik wel eten.”’ Dus ging Amnon op bed liggen en deed hij alsof hij ziek was. Toen de koning naar hem kwam kijken, zei Amnon tegen hem: ‘Kon Tamar maar komen en hier twee hartenkoeken klaarmaken. Als zij ze me aanreikt, zal ik wel eten.’

         Meteen stuurde David een boodschap naar Tamar: ‘Ga vlug naar Amnon en maak iets versterkends voor hem klaar.’ Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon. Tamar bracht de hartenkoeken naar het slaapvertrek van haar broer Amnon en hield ze hem voor. Maar hij greep haar beet en zei tegen haar: ‘Kom, mijn zusje, kom bij me liggen.’ Ze smeekte: ‘Nee, mijn broer, laat dat! Raak me niet aan! Zoiets schandelijks doet men in Israël toch niet! Denk eens aan mij, wat moet er van me worden als ik van mijn eer ben beroofd? En denk eens aan jezelf, heel Israël zal schande van je spreken.’ Maar hij wilde niet luisteren naar wat ze zei, en hij overweldigde haar en onteerde haar en verkrachtte haar.   

         Meteen welde een diepe haat in Amnon op. Hij haatte haar zelfs meer dan hij haar eerst had liefgehad. ‘Sta op, ga weg!’ beet hij haar toe. Tamar riep uit: ‘Dat kun je niet doen! Me wegsturen is nog erger dan het andere dat je m e al hebt aangedaan.’ Maar hij wilde niet naar haar luisteren. Hij riep zijn bediende en zei: ‘Laat die vrouw uit mijn ogen verdwijnen. Zet haar het huis uit en doe de deur achter haar op slot.’

b. uit: The men who killed me. Rwandan survivors of sexual violence

Anne-Marie de Brouwer & Sandra Ka Hon Chu (Editors). Douglas & McIntire, Vancouver/Toronto/Berkeley, 2009

Aan het woord: Adela Mukamusonera, Clementine Nyinawumuntu en Marie Jeanne Murekatete

 

 In de honderd dagen, van april tot juli 1994, dat de genocide woedde in de kleine Centraal-Afrikaanse natie Ruanda werden ongeveer 1 miljoen Tutsi’s en Hutu’s gedood en werden naar schatting 250.000 tot 500.000 vrouwen en meisjes verkracht. Verkrachting was regel, geen uitzondering. Veel vrouwen werden vervolgens vermoord.

Ik wil mijn ervaringen met u delen om twee redenen. Ik wil dat de wereld weet wat hier in Ruanda gebeurd is en wat wij te verduren hadden, en ik wil mezelf genezen door mijn hart te luchten. Als meer mensen de waarheid leren kennen, hoop ik dat ze hun stem toevoegen aan het koor van al degenen die ervoor in staan dat zoiets nooit meer zal gebeuren.”

“Op weg naar het huis van mijn zus kwam ik bij een wegversperring en Hutu militairen vroegen waar ik heen wilde. Ik ontkende dat ik een Tutsi was. Maar ze zeiden dat ze wisten dat mijn oudere zus Tutsi is en dat ik er dus ook een moest zijn. Een van de Hutu’s zei dat hij wist waar mijn zus woonde en dat hij er mij naartoe zou brengen. In plaats daarvan bracht hij me naar een smalle greppel waar hij het kind van mijn rug afnam. Hij gooide mij in de greppel en verkrachtte me. Hij liet me daar achter en twee dagen lag ik daar. Mijn dochter rolde na enige tijd naast me zodat ik haar vast kon houden en kon voeden.”

Een tijd later laadden Franse soldaten ons in een truck en brachten ons naar een kamp in Cyangugu. De UNHCR (het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties) bracht voedsel. Maar we hadden ook brandhout nodig en gingen naar buiten om dat bij elkaar te sprokkelen. Plotseling kwam uit het niets een Franse soldaat. Hij pakte me bij de arm, nam mijn baby van mijn rug, sloeg me, duwde me in een sloot en verkrachtte me, terwijl vijf andere Franse soldaten toekeken. Hij gedroeg zich als een wild beest. Toen hij klaar was, verkrachtten de anderen mij, één voor één tot ze alle zes aan hun gerief gekomen waren. Geen perversie was hun te dol. Toen ze klaar waren, gooiden ze mijn baby bovenop me in de sloot.”

Als ik nadenk over mijn verloren jeugd, voel ik een troosteloos verdriet. Ik treur als ik denk aan alle dromen die ik eens gekoesterd heb en die voorgoed verloren zijn. Ik treur als ik aan al die mannen denk die me gedurende de volkerenmoord steeds weer verkrachtten, mannen die elk teken van leven in mij gebroken en vernietigd hebben. Mannen die mij vermoord hebben, geleidelijk, maar wel degelijk.”      

 

c. Neel Doff: Jours de famine et de détresse     

Of: opgroeien in de sloppen van Amsterdam eind negentiende eeuw, door Neel Doff

Wij zaten weer eens zonder eten. De kinderen zaten her en der door de kamer verspreid, allemaal ziek van de honger. Moeders gezicht gloeide van de koorts, en het knipperen van haar ogen toonde hoe beroerd het met haar gesteld was; en mij liepen de koude rillingen over het lichaam. Mijn oudste zuster was van ons weggegaan, en wij zaten te wachten op vader, die op zoek naar verdienste ’s morgens vroeg al was vertrokken. Hij kwam dronken terug en vroeg om eten.

         Ik keek om mij heen en begreep dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren als er niet terstond een uitweg gevonden werd. Toen nam ik een besluit. Ik maakte een sleep aan mijn rok, kamde mijn haar over het voorhoofd, knapte mij zo goed mogelijk op (waarbij het me speet dat ik geen poeder en rouge had zoals ik die bij de hoeren had gezien) en zei aan moeder dat ik uitging. Zij wou met me mee, om des te eerder de levensmiddelen naar huis te kunnen brengen.

         Toen we eenmaal midden in de stad waren, vroeg ik haar op een afstandje te blijven. Al na enkele ogenblikken hoorde ik iemand achter mij fluisteren: ‘Kleintje, hé kleintje, kom eens mee’. Een reus van een man kwam achter mij aan, nam me mee naar een rendez-voushuis. De man behandelde me heel voorzichtig, hij leek wel bang dat hij me breken zou. Hij moest lachen om mijn zwarte gezicht en mijn magerte, en had vreselijk veel plezier om mijn scharminkelige lichaampje.

         Eenmaal op straat liep ik op een holletje naar moeder. We kochten wat povere etenswaar en van onderaan de trap riepen we naar boven, naar de kinderen: We hebben brood, we hebben brood!’ Na een paar dagen liep ons huishouden zo geregeld als het nog nooit gedaan had. De kinderen aten op tijd, werden gewassen en gingen naar school; moeder hield zich met het huishouden bezig; vader dronk niet meer en zette ’s avonds koffie en schilde aardappels. Alleen ik lag in elkaar gekromd op de oude canapé die ik als bed gebruikte, en schokte van het huilen.

d.  uit: The Magdalene sisters. Marita Conlon-McKenna

Wanneer Esther Doyle, een eenvoudig Iers meisje, bedrogen wordt door haar minnaar en ongehuwd en zwanger achterblijft, stort haar wereld in. Haar familie stuurt haar naar het Holy Saint klooster in Dublin, waar ze gevangen achter hoge granieten muren werkt in de beruchte Magdalen wasserij terwijl ze wacht op de geboorte van haar kind. Het is een tehuis voor onhandelbare meisjes en gevallen vrouwen.

 Zuster Vincent zei dat ze in een stoel moest gaan zitten. “Je hebt prachtig haar,” mompelde ze terwijl ze het door haar vingers liet glijden.” Knip het dan niet af, zuster, asjeblieft!, ik zal het opbinden”. “Lang haar kan tussen de machines komen,” zei de non en zij nam de schaar. ”Je kunt nu naar boven gaan en je omkleden, dan breng ik je naar de wasserij.” Beledigd en boos zweeg Esther.

De Maggies, zoals ze genoemd worden, werkten hard en lang. Als slaven zeulden ze manden vol vuil wasgoed. De nonnen noemden hen ‘penitenten’. Ze zagen Esther als een zondares, een gevallen vrouw. Zij wist dat. Zij zag hoe ze hun blik afwendden van haar zwellende buik terwijl ze uit minachting hun neus ophaalden en hun lippen krulden. Haar kind kwam vlot ter wereld: Roisin, een prachtig meisje. Toen ze haar pasgeboren baby in haar armen hield, probeerde Esther te vergeten dat ze de zoveelste ongehuwde moeder was, ondergebracht bij de nonnen van de Magdalen wasserij. Waar het kind geboren was, deed er niet toe. Nu, deed niets er meer toe. Niets kon de liefde en de blijdschap bederven die haar dochtertje in haar eenzame leven gebracht had.

In het moeder-en-kind tehuis voelde Esther zich als op een onbewoond eiland, bevrijd van de pijn van de afgelopen negen maanden. Maar de dagen verliepen snel en de tijd die ze met haar baby mocht doorbrengen liep ten einde. Op een dag zei zuster Bridget: “Ik denk dat je weer gauw aan het werk kunt. Je weet dat je Roisin ’s avonds mag bezoeken en haar voeden; in ieder geval voorlopig...”

Op een avond na het werk, toen ze weer naar het bijgebouw was gegaan, trof ze Roisin niet aan in het  bedje met het crème kleurige dekentje dat ze zelf gebreid had. Er lag een pasgeboren kind op haar plek. Zuster Bridget kwam uit haar kantoortje en zei: “Het is zo afgesproken toen je hier kwam Esther. Je weet dat de baby’s hier niet voor altijd kunnen blijven. We zullen een goed thuis voor haar zoeken in een gezin nu jij haar hebt afgestaan.” Ze had twee zwarte lokjes van Roisins hoofdje geknipt, twee weken nadat ze geboren was. Het was al wat ze van haar bezat. “Ik mis mijn kindje. Ik had er nooit mee in moeten stemmen haar af te staan. Ik wilde Roisin niet weggeven! Soms voelt het alsof iets in mij dood is, dat nooit terug zal komen.”

 

e. Tehila Lieberman: de heilige tekst van Naeeda Aurangzeb 1

Ik vraag me af wie ik zal zien, wat ik zal voelen. Hoe ik mezelf kan beschermen tegen de blikken en beschuldigingen. Maar ik zal zeker verrijzen uit de maalstroom van emoties. Want ik bleef erbij te leven met mijn onzekerheid - de palmen van mijn handen gekeerd naar de wereld - mijn leven meerdere keren geslagen en tegen de rotsen geworpen. En toch weigerde ik terug te klimmen in het fort wereld, omgeven door muren. Hoe kan ik me, zelfs voor een avond, begeven onder deze mensen die ervoor kozen mij als verloren te zien – die niet begrijpen dat ik de kneuzingen en de onzekerheid accepteer, om de rijkdom en de complexiteit die wereld heet, ervoor terug te krijgen?

 

f. Tehila Lieberman: de heilige tekst van Naeeda Aurangzeb 2

Ik wil bewust worden – niet van het gekakel rond me, ook niet van gebeden gescandeerd of gezongen – maar wel van twee zielen die hunkeren naar elkaar na een oneindige scheiding. Ik wil omhoog kijken om, al is het maar voor ’n kort moment, boven de bruid en bruidegom, een poort te zien, half gemaakt uit Jeruzalem steen, en half uit licht. Ik wil door de massa zeven tot ik, als in mijn kinderjaren, een anonieme en mysterieuze aanwezigheid kan voelen onder de dansers die de bruid en haar bruidegom omgeven, een dol gevoel van de mogelijkheid te proberen zich in een vat van ledematen te wringen. Ik wil terug voordat ik me de gruwelijkheid van de stam kan voorstellen, voordat de dreigementen tot excommunicatie, de stiltes en de ontrouw beginnen. Ik wil – en de woorden blijven in mijn keel hangen – mijzelf eindelijk vergeven. Ik wil me mijn wonden, de plaatsen waar ik geamputeerd werd, en waar ik nog steeds bloed, vergeven. Mezelf vergeven omdat ik niet het gemakkelijkere pad nam, omdat ik weg groeide van die mij beminden, omdat ik zo vurig lief had, omdat ik meer wilde dan mensen me konden geven, omdat ik dit nog steeds wil.

 

g.   Marthe Link: Vergeef ons onze schulden

Ik moet hem achter me laten

de mens die me kwaad berokkende

hij heeft me mijn naam ontnomen

mijn wezen beschadigd

hij maakt mij tot een onaanraakbare

sloot me af van de “Bron-van-Zijn”

de Geest die zweeft over de wateren.

 

 

 Ik kon haar niet inademen

noch haar stroom doorgeven

aan mijn zuster, mijn broeder

 

            Vergeef mij?

 

Ik sloot me op

in de schelp van het niet-zijn

 

            Vergeef mij

 

Maar de oceaan van het Zijnde

beweegt mij

slaat mij heen en weer

zal ik stuk slaan

op de rotsen van schuld?

 

            Vergeef mij…

 

Door me af te sluiten

droogde de bron in mij

doofde het licht.

 

Ik wil de pijn toelaten van het weten

ik wil mijn ogen opslaan om te zien

ik wil de roep horen van mijn Oorsprong

ik wil mijn hart herkennen

in de golfslag der getijden

ik zal mijn mond openen om in te ademen de Geest van bevrijding

in haar eeuwige werveling

zal ik los laten mijn verbittering

en opnieuw geboren worden.

 

Dan open ik mijn schelp naar de Zon

ik knipper met mijn ogen naar het Licht

ik neem mijn naam terug

 

            Ik Ben

 

Zoals wij vergeven onze schuldenaren.

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

TERUG